Een gedicht plaatsen?
Home

Je doel voorbij reizen

Soms, is er een moment in het leven dat het voelt alsof je in een trein zit, in mijn geval in een hogesnelheidstrein. Een trein die heel lang moest rijden en ooit een bestemming had, een doel, een eindbestemming, iets waar je het voor deed, iets waar je zo snel mogelijk naar toe wilde, met alle risico’s van dien, de risico’s om tijdens de reis niet te stoppen, om tijdens de reis niet te genieten, om alsmaar door te gaan naar dat ene punt wat je ooit voor ogen had. En zonder dat ik het door had alle tussenstops bleef zitten, en hopen dat de deuren sluiten en dat de trein verder ging naar dat ene punt. Dat je naar buiten kijkt en achteraf beseft dat al het moois waar je langsreed je leven was die voorbij vloog zonder te beseffen wat het was, zonder te genieten wat het is. Dat je beseft dat je al je doelen al voorbij gereden bent, dat je zelfs je uiteindelijke doel gemist hebt.

En op een ogenblik kun je niet meer uit die trein, dan ben je te ver en ben je langs te veel gereden, te veel gemist, de bestemming vervaagd, want er is niemand die meer wacht aan het einde van je reis, er is niemand die nog weet dat je op reis bent, er is niemand meer die je nog kent.

Opeens komt er dan een besef, en wil je eruit, je wilt terug, je wilt eruit, je wilt terug. Daar er is geen mogelijkheid meer toe, je bent te ver in het proces, je bent verward en kan de noodrem niet meer vinden, het lijkt achteraf dat je gevangen zit en dat de trein doorgaat, en je kunt niet vluchten, je bent verlamd je bent niets. Je leeft maar toch ook niet.

En plotseling komt er iemand voorbij, iemand die alles heeft gezien, iemand die mee reisde maar wel een stap kon zetten, iemand die dierbaar is, iemand die waardevol is, iemand tegen wie je opkijkt, iemand die veel voor je is, iemand met wie je de treinreis deelt. Die loopt voorbij en drukt op de noodrem, ik kijk op, word bang, word verdrietig vind het eng maar de trein stopt. Eindelijk stopt de trein na al die tijd stopt de trein. Ik hoor de gierende remmen, ik hoor de deuren open gaan. Ik zit te trillen, en voel de adrenaline door me heen stromen en ren naar buiten, ik ren weg van de trein, weg van de persoon die mij verlost heeft van mijn oneindige reis naar mijn doel maar werkelijk de reis naar de afgrond.

Ik loop het bos in, ik ren het bos in, ik schreeuw, ik huil, ik ga weg van alles, ga ver weg en stop, en ga zitten en neem voor het eerst in mijn leven de tijd om na te denken over iets anders dan een doel, om na te denken over het nu, nu waarin alles gebeurd, het nu wat altijd eerst komt, het nu wat alles bepaald.

Ineens, besefte ik dat ik al die jaren in de trein aan mezelf dacht, wel met een goed hart, wel met zorg voor anderen, maar dat ik de belangrijkste dingen voor normaal beschouwde, voor missie volbracht, voor gelukt en verder. Totaal geen idee meer dat ik ook maar iets in de weg naar mijn doel kon gaan verliezen, totaal geen idee meer van de werkelijkheid.

Ik loop terug, de trein is weg, mijn doel is weg, ik ben verlost, verlost van onzin, van dingen die niets waard zijn. Ik in de verte zie ik de vrouw die me verlost hebt, ik huil, ik ren, ik ga naar haar toe, hoe kut het ook was dat ze me blokte, dat ze me stopte, hoe dankbaar ik ben voor deze gebeurtenis.

Ik vraag haar: zullen we nu ONS pad creëren, zullen wij samen elke dag genieten, geen doelen stellen maar samen elke dag proberen er voor elkaar te zijn en niet meer aan ons voorbij laten gaan? Zullen we samen zijn, voor altijd? Zullen wij niets anders meer nodig gaan hebben wat onze relatie kapot kan maken?

Ingezonden door Joostm

Beoordeel dit gedicht

Er is 1 keer gestemd.

Tags

© Copyright 2007 - 2019 / Scito Media